Verhalen voor bij het kampvuur

Over Brieven uit Genua van Ilja Leonard Pfeijffer

brieven uit genua-ilja leonard-pfeijffer boekDrie jaar geleden verscheen La superba, de meesterlijke roman van Ilja Leonard Pfeijffer over Genua, waarover ik eerder al schreef. Het was een roman over immigratie waarin het geloof in mooie verhalen over een beter leven – en de werkelijkheid die daar zo vaak mee botst – centraal staat. En hoewel het fictie betrof, is er veel werkelijkheid in die roman geslopen. Met Brieven uit Genua heeft Pfeijffer een non-fictionele pendant geschreven. Maar in hoeverre kunnen we de schrijver geloven? ‘Elke wetenschapper weet dat feiten er niet toe doen.’

Niets verzonnen

De relatie tussen fictie en werkelijkheid is een terugkerend thema in het werk van Ilja Leonard Pfeijffer. In romans en gedichten heeft hij dit thema vaak onderzocht en nu wilde hij naar eigen zeggen de invalshoek nemen van de werkelijkheid. Het resultaat is een kloeke bundel brieven aan diverse mensen en instanties, veelal over zijn leven in Genua. Bij het schrijven van de brieven stelde hij zichzelf één regel: niets mag verzonnen zijn.

Niet even netjes allemaal, maar zo valt er regelmatig ook wat te lachen

En toch. Het is moeilijk om Brieven uit Genua een brievenboek te noemen. Wat Pfeijffer schrijft heeft eigenlijk weinig weg van een correspondentie – ook al heeft hij de brieven verstuurd – en niet zozeer omdat het antwoord ontbreekt. De meeste brieven zijn gericht aan zijn voormalige vriendin Gelya Bogatishcheva, maar regelmatig kreeg ik de indruk dat de lezer van Brieven uit Genua de werkelijk geadresseerde is. Waarom zou hij namelijk aan Gelya, die samen met Pfeijffer in Genua heeft gewoond, uitleggen hoe het zit met de twee voetbalclubs uit de stad Genoa en Sampdoria? Of hoe het is om in een Italiaanse rij te moeten wachten? Dit laatste is ook ooit als column verschenen en je voelt dat het voor een groter publiek geschreven is.

Dit alles is overigens geen aanmerking op het boek. Pfeijffers stijl is prachtig en maakt het lezen van de 750 pagina’s die het boek telt een feest. Toegegeven, het is veel, heel veel om te lezen, maar het blijft boeiend. Het helpt dat Pfeijffer zijn lezer nu en dan trakteert op wat literaire roddel en ook echt vilein kan zijn, zoals over de jonge schrijvers David Pefko, Jamal Ouariachi en Daan Heerma van Voss:

Ze waren zonder waarden. Niets was waardevol voor hen. Het ontbrak zelfs aan bijtend cynisme. Dat zou nog iets stijlvols of strijdvaardigs kunnen hebben. Toen Tommy [Wieringa], Dimitri [Verhulst] en ik voor de grap moralistisch gingen zitten doen over die twee Roemeense hoertjes, was hun gezamenlijke verweer niet meer dan wat betekenisloos gesputter. Daan barstte in de hotellobby zelfs in tranen uit omdat hij bang was dat zijn vriendin erachter zou komen. Nou. Bij dezen. Wat ben je nou voor bohemien met je gegrien achter de cocktail die wij voor jou hebben betaald?
Maar zo waren ze alle drie. Dat was het erge. Een en al existentiële twijfels, jeugdtrauma’s en opkomende depressies. De bloem der natie zat met geknakte nekjes in het duurste hotel van Antwerpen sip aan rietjes te sabbelen van hun majestueuze cocktails. En ze koketteerden met hun zwakte als te vroeg oud geworden decadente dichters uit de vorige eeuw, maar zonder de klasse en met slechts de bleke, improductieve, grauwe teint van een zorgvuldig gecultiveerde vermoeidheid.

En zo gaat Pfeiffer nog een pagina door. Niet even netjes allemaal, maar zo valt er regelmatig ook wat te lachen.

Het personage Pfeijffer

Mooie stijl en er valt ook te lachen – zeker – maar dat zou de honderden pagina’s niet rechtvaardigen als Pfeijffer niet ook wat te zeggen had. Ik heb met interesse gelezen over het leven in Genua. Pfeijffer geeft bijvoorbeeld een mooie beschrijving van een winterse zondag in de stad. Ik las geboeid over het literaire circus van optredens en nominaties voor prijzen, eerst de AKO (niet gewonnen) en later de Libris (terecht wel gewonnen) voor La superba. En in een van de brieven aan zichzelf op jongere leeftijd geeft hij een prachtig college literatuursociologie ten beste: Pfeijffer beschrijft zijn vriendschappen met anderen, zijn redacteurschap van diverse tijdschriften, de schrijverscafés in Amsterdam – het hele spel van kritiek, poëticale uitspraken en connecties waarmee hij zijn reputatie als dichter heeft opgebouwd.

Het is precies die geloofwaardigheid waar ik soms aan twijfel

De 180 pagina’s brieven aan zijn jongere zelf zijn een van de hoogtepunten uit Brieven uit Genua. Pfeiffer beschrijft zijn verleden, studie, loopbaan als classicus, zijn keuze op een gegeven moment om zich geheel aan het schrijven te wijden en zijn vertrek van Leiden naar Genua. Natuurlijk presenteert Pfeijffer een wel heel fraai beeld van zichzelf en de vraag naar wat er níet verteld wordt dringt zich op. Zeker omdat Pfeiffer die kwestie in een eerdere brief aan Gelya zelf al aansneed:

Elke wetenschapper weet dat feiten er niet toe doen. Er zijn zo overweldigend veel willekeurige feiten beschikbaar dat ze elke relevantie verliezen. Je komt alleen maar verder als je in staat bent om enkel de feiten te zien die je in staat stellen om het verhaal te vertellen dat je van tevoren al had bedacht. Je kiest er tien of duizend of duizend tot de macht duizend en je negeert de rest, want anders heb je niets te vertellen bij het kampvuur. Anders is er geen poëzie.

Anders is er geen verhaal. En Pfeijffer kan verhalen vertellen; dat zie je aan zijn romans, maar ook aan Brieven uit Genua. In een brief aan het Nederlands Letterenfonds waarin hij een beurs aanvraagt voor dit boek, spreekt hij niet voor niets van een tweede ‘Genuese roman’. In het boek zit te veel opbouw om het puur als brieven te beschouwen. ‘Ik moet mijn best doen om geloofwaardig te worden als het personage dat ik van mijzelf heb gemaakt,’ schrijft hij in een van de eerdere brieven aan Gelya. Het is precies die geloofwaardigheid waar ik soms aan twijfel.

Sincerità

Wie tot pagina 627 is gekomen in Brieven uit Genua heeft Ilja Leonard Pfeijffer aardig leren kennen. Hij vertrok uit Leiden om te kunnen ontsnappen aan het door zichzelf opgebouwde reputatie. Hij hoefde steeds minder te dichten om dichter te zijn, zei Pfeijffer eens. Genua bood hem een nieuw begin. Maar al snel merk je dat hij eenzelfde soort leven oppakt: om stipt vijf uur zit hij op zijn vaste terras om te drinken en te schrijven. Pfeijffer, de schrijver, omringd door zijn vrienden.

Dan volgt er weer een brief aan zijn uitgever Peter Nijssen, onder andere over de vraag of het boek als deel in de reeks Privé-domein moet verschijnen. ‘Hoewel mij voor het overige geen perversiteit vreemd is, ben ik geen bibliofiel. Dat is een aberratie waar je sowieso erg mee moet oppassen de laatste tijd,’ schrijft Pfeiffer. Maar het gaat ook over de voortgang waarover hij schrijft dat het boek nog een slot mist, een wending nodig heeft.

Dus die grote dramatische wending zou ik in het echt, in het ware leven, moeten bewerkstelligen. Ik zou om compositorische redenen in mijn eigen leven een spectaculair omslagpunt moeten beleven. En dat bij voorkeur tussen de dagtekening van deze brief en de deadline in november. We zullen zien of dat gaat lukken. Er is op zich tijd genoeg. Ik zal mijn best doen. En anders los ik het op een andere manier op. Ik vind wel iets.

En inderdaad, hij vindt een nieuwe vriendin, Stella heet ze en ze is zijn onderbuuf. Maar om zijn relatie met haar kans van slagen te geven, moet hij zijn leven radicaal omgooien: hij moet zijn alcoholverslaving opgeven. Bovendien komt hij tot inzicht dat hij te veel op het papier heeft geleefd. Alles offerde hij aan zijn schrijverschap, maar nu is daar Stella. Dolcezza, sincerità en fiducia, dat worden de begrippen van hun relatie.

Ik wil niet meer leven op papier zoals in deze brieven. Ik wil ja zeggen tegen het leven dat een lichaam heeft en dat oprecht is voor een ander. Daarom is dit mijn laatste brief. Het enige wat ik hierna nog wil schrijven, zal ik schrijven op mijn huid in plaats van op papier, dat ik te lang met mijn huid heb verward, en het zal een enkel woord zijn en het zal het enige woord zijn dat belangrijk is en waar, en het woord zal zijn: sì.

Zo eindigt Pfeiffer Brieven uit Genua, met hetzelfde woord als James Joyce Ulysses eindigde – waar Pfeiffer in een eerdere brief natuurlijk uitgebreid bij stilstond. Wie nog eens door de brieven bladert, vindt al snel meerdere voorbeelden van dit soort bewuste compositie. Peijffer schrijft over zijn leven, maar vertelt vooral het verhaal dat hij van tevoren bedacht lijkt te hebben.

Het slot doet me denken aan David Foster Wallace. Niet eens zozeer omdat ook hij zijn verslavingen te boven is gekomen en meer en meer oprechtheid verkoos boven de ironie van vroeger, altijd spelend, maar ongrijpbaar voor de lezer. Vooral moet ik denken aan een uitspraak van Wallace over het schrijven van non-fictie: ‘you hire a fiction writer to do nonfiction, there’s going to be the occasional bit of embellishment.’ En net als bij Wallace is dat bij Ilja Leonard Pfeijffer helemaal niet erg.

Ilja Leonard Pfeijffer – Brieven uit Genua
Paperback, 751p.
1e dr. De Arbeiderspers

Lees ook:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *