Een breekbaar geluk

Over Een soort geluk van Peter Abelsen

Peter Abelsen - Een soort gelukDe pont naar Noord. Het is zomer 2013 en Martin van Houten is onderweg naar het huis van zijn overleden geliefde om dierbare spullen van haar uit te zoeken. Zinloos, weet hij, maar gaat er desondanks met twee koffers vol weg. Zo begint Een soort geluk, de debuutroman van vertaler uit het Engels Peter Abelsen. Wat volgt zijn herinneringen van Martin aan zijn leven. Zijn eerste baan, zijn bandje, losse klussen en bijbaantjes komen voorbij, maar Pauline, liefdevol Paultje genoemd, was het enige werkelijk belangrijke in zijn leven. Lees “Een breekbaar geluk” verder

Misleidende verhalen

Over Roza van Olivier Willemsen

Olivier Willemsen - RozaIn zijn tweede boek Roza duikt Olivier Willemsen in een bizarre geschiedenis. In de nacht van 2 februari 1959 verongelukt een groep jonge bergbeklimmers op de Cholattsjachl in het noordelijke Oeralgebergte. De groep bestaat uit negen studenten van het Oeral Poly­technisch Instituut uit Sverdlovsk, het huidige Jekaterinenburg. Onder leiding van de 23-jarige Igor Djatlov gaat de groep goed voorbereid op expeditie. Maar die nacht van de tweede februari verlaten de negen hun tent, nauwelijks gekleed, bij een temperatuur van vijfentwintig graden onder nul. De dode lichamen worden verspreid over de bergpas gevonden. In het lokale dialect Mansi betekent Cholattsjachl zoveel als ‘berg der lijken’. Lees “Misleidende verhalen” verder

Verzet voor een vrije pers

Over Pereira verklaart van Antonio Tabucchi

Antonio Tabucchi - Pereira verklaartHoe lang kun je zwijgen? Hoe lang kun je je afzijdig houden en wanneer besef je dat je in actie moet komen, verantwoordelijkheid moet nemen? In Sostiene Pereira vertelt Antonio Tabucchi (1943 – 2012) het verhaal van de eenling die zich staande probeert te houden te midden van de politieke krachten die de geschiedenis bepalen. De roman verscheen voor het eerst in 1994 en is nu opnieuw uitgegeven door De Bezige Bij, vertaald als Pereira verklaart. En verklaren doet Pereira veel in deze roman. Deze woorden, ‘…verklaart Pereira’ komen talloze malen terug in de roman. De vraagt rijst tijdens het lezen waar die formaliteit vandaan komt. Wordt Pereira verhoord? Of probeert hij met zijn stelligheid greep te krijgen op de onzekere tijden waarin hij leeft? Lees “Verzet voor een vrije pers” verder

De kracht van verhalen

Over Eden van Marcel Möring

Marcel Moring - EdenWie ben ik? Waar voel ik me thuis? Universele vragen die iedereen zich op een moment stelt. Vragen ook die Marcel Möring stelt in zijn nieuwe roman Eden. In deze roman staan twee verhalen centraal. In het ene verhaal is een jongen constant op pad. Door bossen en langs kloosters trekt hij, maar nergens komt hij aan. In het andere ziet psychotherapeut Mendel Adenauer zich geplaatst voor de vraag waarom een van zijn patiënten voor de trein is gesprongen. In Eden zoekt iedereen geluk en geborgenheid, het paradijs waaruit de mens is verdreven. Na Dis (2006) en Louteringsberg (2011) is deze roman het sluitstuk van Mörings ‘Dante-trilogie’. verder lezen

Berichten uit het bezemhok

Over Zonder rampspoed valt er niets te melden van Frans Pointl

Frans Pointl - Zonder rampspoed valt er niets te melden‘Ik was niet anders gewend dan tegenslag,’ zei Frans Pointl over zijn leven in een gesprek met Wim Brands. Ook de titel Zonder rampspoed valt er niets te melden doet niet veel vrolijks  vermoeden. In deze bundel  verhalen en gedichten van de in 2015 overleden schrijver vinden we inderdaad weinig reden tot optimisme. Pointl beschrijft zijn lichamelijke gebreken en eenzaamheid op zijn kenmerkende toon die hij tot het laatst heeft weten vast te houden.

Frans Pointl is vooral bekend als de schrijver van De kip die over de soep vloog, zijn debuut uit 1989. Latere bundels haalden niet eenzelfde populariteit. Hij schreef veel over zijn jeugd in het na-oorlogse Amsterdam, zijn moeder, hospita’s bij wie hij later inwoonde en vrouwen. Om tot zijn eigen, eenvoudige stijl te komen, bleef de schrijver echter eindeloos schaven aan zijn verhalen. Op hogere leeftijd kreeg hij het syndroom van Guillain-Barré, een ziekte die zijn zenuwen aantastte. Hierdoor kon hij ook niet meer zelfstandig wonen. Het leven in het verzorgingstehuis werd daarmee ook onderwerp van zijn schrijven.

Gedeprimeerd

Zonder rampspoed valt er niets te melden gaat verder waar hij zijn verhaal ‘De laatste kamer’ uit de gelijknamige bundel uit 2013 afsloot. Pointls wereld is klein geworden, teruggebracht tot zijn ‘bezemhok’, zoals hij zijn kamer in het Sarphatihuis noemde. Het hoogtepunt van deze bundel bestaat uit ‘brieven’ die Frans Pointl aan een fictieve vriend geschreven heeft in de laatste drie jaar van zijn leven. Kenmerkend zijn afsluitingen als: ‘Je hoort nog van me, maar ik maak hier niets boeiends mee. – FRANS’ of: ‘Vandaag ben ik – zoals meestal – gedeprimeerd. Niets komt ooit meer goed met mij. Beste wensen. – FRANS’

Vaak zei Frans Pointl dat hij eigenlijk te lang geleefd heeft. Elke dag de confrontatie met zijn eigen lichamelijke gebreken, de afhankelijkheid van de verzorging – hij had het liever niet meer meegemaakt. Lichamelijk was Pointl hard achteruitgegaan, maar geestelijk niet. Scherp beschrijft hij de gang van zaken in het tehuis, zoals in het verhaal ‘Zonder rampspoed valt er niets te melden’:

Verleden week waren op deze afdeling twee ziekmeldingen. Ik lag om elf uur nog in bed. Ten slotte heeft de fysiotherapeut me uit bed geholpen. Dat is toch bij de gekken af? Er zijn ‘poolers’ ontslagen, ze hadden geen vast contract, wel een nul-urencontract.
Dat wordt een ramp voor veel ouderen, nu de overheid alles afschuift op de gemeenten, die ook nog veel minder geld krijgen ook. Men heeft het over de mantelzorg, participatiemaatschappij enz. Hoe kunnen kinderen voor één of twee bejaarden zorgen als ze een baan hebben en vaak zelf nog kinderen ook?

Ook de gedichten in de laatste afdeling van deze bundel getuigen van eenzelfde gevoel. Ontdaan van rijm of een vast ritme, blijft alleen de boodschap over. De eerste tien gedichten gaan voornamelijk over het lichamelijke verval, maar ook over een hereniging met zijn moeder in de  dood. ‘Moeder/blijf hem aanschouwen/ en roep hem zachtjes/ als het uur daar is.’ Ogenschijnlijk eenvoudig, net als zijn verhalen, maar tegelijk zeer aangrijpend. Zeker wanneer hij in het laatste gedicht ‘1945’ terugkijkt op zijn leven, in de vele vroegere verhalen reeds vaak beschreven. Ze moesten het met weinig stellen, zijn moeder en hij, met zijn tweeën wonend op een enkele kamer. Een half jaar voor zijn dood kijkt Frans Pointl nog eens terug en ziet wat hij toen niet zag:

maar we hadden eigenlijk alles
door mij niet beseft
bijna dertien was ik
niets en alles
moeder en zoon
1945.

Lege stoel

Zijn hele leven was Frans Pointl op zichzelf. Hij hoorde er niet bij. In de ‘brieven’ in Zonder rampspoed valt er niets te melden beklaagt hij zich vaak over de medebewoners. Treffend wordt dat ook beschreven in ‘Sterven in de zon’, het eerste verhaal uit de bundel. Pointl had het al in de jaren tachtig of negentig geschreven, maar nooit eerder werd het gepubliceerd. Het beschrijft hoe een oude man iedere vrijdag door zijn dochter uit het tehuis wordt opgehaald om de avond door te brengen met het jonge gezin. Maar echt contact wordt er niet gemaakt. Dochter is druk bezig met de andere visite, de schoonzoon is überhaupt niet geïnteresseerd. Op zijn bekende licht-ironische toon beschrijft Pointl het gevoel van de oude man de anderen tot last te zijn:

Als er relaties of kennissen van z’n dochter en schoonzoon kwamen, gaven ze hem een hand, daarna werd een drukke conversatie gevoerd waar hij niets van verstond. Bovendien richtte niemand het woord tot hem; er had evengoed een lege stoel kunnen staan.

Zelfs met een behoorlijke letter en royaal wit komt Zonder rampspoed valt er niets te melden amper boven de 100 pagina’s uit. Maar laat kwantiteit geen graadmeter zijn. Dit met zorg uitgegeven bundeltje is een mooi eerbetoon aan ‘het kleinste schrijvertje van Nederland’, zoals Pointl zichzelf noemde.

Deze recensie verscheen eerder op Literair Nederland.

Frans Pointl - Zonder rampspoed valt er niets te melden | harde kaft 112p. | 1e dr. Nijgh & Van Ditmar

Lessen in lezen

Over Hoe lees ik? van Lidewijde Paris

hoe lees ik?-lidewijde-paris‘Reading is a majority skill but a minority art,’ schrijft Julian Barnes. Dit is toepasselijk voor Hoe lees ik? van Lidewijde Paris. Want iedereen kan een boek lezen, maar het doorgronden ervan, het begrijpen wat een auteur ermee bedoeld heeft, is nog niet zo gemakkelijk. Kennis van hoe verhalen in elkaar zitten, helpt daarbij. Met Hoe lees ik? maakt Paris deze kennis toegankelijk voor de gewone lezer, zonder te vervallen in droge analyses. Het is een prettig geschreven gids vol handvatten om meer uit boeken te halen met mooie voorbeelden uit moderne verhalen en klassieke romans.

Lidewijde Paris (1962) is ruim 25 jaar actief in het boekenvak, onder andere als boekverkoper, journalist, redacteur en uitgever. Haar leeservaring en enthousiasme voor fictie wil ze met een groter publiek delen in Hoe lees ik? In drie delen bespreekt ze een aantal literaire middelen die schrijvers inzetten om hun verhaal te vertellen. Basisbegrippen als motief, thema, perspectief en verteller komen aan bod in het eerste deel.

Ook gaat ze in dit deel in op het verteltempo en hoe een auteur spanning creëert: welke passages worden uitgebreid verteld en aan welke zaken besteedt de verteller nauwelijks aandacht? Het fijne aan Hoe lees ik? is dat Lidewijde Paris niet alleen op dit soort begrippen ingaat omwille van de analyse, maar juist laat zien hoe je daardoor als lezer bij het verhaal betrokken raakt of hoe je daardoor de betekenis van een verhaal kunt duiden.

Na het eerste deel dat vooral over de structuur van verhalen gaat, bespreekt Paris in het tweede deel de meer of minder expliciete stijlelementen, de ‘toeters en bellen’, zoals ze het zelf noemt. Denk onder andere aan beeldspraak en symboliek. In het derde deel gaat het om de context van de literatuur. Hierbij bespreekt ze opvattingen over hoe literatuur eruit zou moeten zien en wat de functie ervan is. Terecht benadrukt Paris dat niet alleen schrijvers hier ideeën over hebben, maar lezers net zo goed.

Verder gaat ze in op het referentiekader van de lezer. Omdat iedere lezer zijn eigen opvattingen en referentiekader heeft, leest iedereen ook anders en vindt iedereen andere dingen opvallend aan een verhaal. En dat is prima. Herhaaldelijk benadrukt Paris dat het gaat om mogelijke leeswijzen; er is geen goed of fout: ‘Overigens vind ik dat iedereen mag lezen zoals hij of zij wil. Wil hij lezen om geraakt te worden, om troost te vinden of even met het hoofd bij andere dingen te zijn: geweldig! Maar misschien brengt mijn visie nieuwe leesideeën of -mogelijkheden.’

Breed publiek

Met dit boek heeft Paris duidelijk een introductie willen geven tot de verhaalanalyse. Ze maakt de begrippen op toegankelijke wijze duidelijk en ze maakt daarbij steeds gebruik van sprekende voorbeelden, van Max Havelaar tot De Da Vinci Code. Uiteraard kan ze hierin niet volledig zijn, maar af en toe versimpelt ze iets te veel.

Met de betrouwbaarheid van de verteller zit het bijvoorbeeld iets ingewikkelder dan Paris het hier doet voorkomen. Ze omschrijft de onbetrouwbare verteller als: ‘degene die mij het verhaal vertelt, vertelt niet alles’. Maar bij het beoordelen van hoe betrouwbaar een verteller is, gaat de lezer niet alleen uit van volledigheid van het vertelde, maar juist ook van zijn eigen normen, waarden en verwachtingen. Het is slechts een kleine kanttekening bij een prima inleiding.

Door de opbouw legt Hoe lees ik? niet alleen goed uit, maar heeft het ook een instructief karakter. Paris introduceert een bepaald begrip, geeft een romanfragment of kort verhaal en licht vervolgens toe hoe je met het besproken begrip betekenis kunt geven aan het verhaal. Vaak spoort ze haar lezers expliciet aan om bij het lezen van de voorbeeldfragmenten bewust te letten op de besproken literaire middelen:

Lees en probeer uit te vinden wat voor perspectief en verteller hij heeft gekozen. Waar en wanneer krijg je signalen ‘waar het eigenlijk over gaat’? En bij wie ligt je sympathie? Wie heeft gelijk?

Op die manier kan iedereen zijn eigen lezing vergelijken met die van Lidewijde Paris. Dit maakt Hoe lees ik? ook interessant voor geschoolde lezers voor wie de uitleg van de literaire begrippen niet per se nodig is. Voor hen ligt de waarde in de uitwerking van Paris’ lezing. Zo heeft dit boek wat te bieden voor een breed publiek, maar de focus ligt toch vooral op de gewone lezer zonder voorkennis van de structuur en de ‘toeters en bellen’ van literatuur.

Maar gaat al die analyse niet ten koste van het gewone leesplezier? Integendeel, stelt Paris: ‘een schrijver die zo veel moeite heeft gedaan mij niet rechttoe rechtaan iets over te brengen, verdient het dat ik op onderzoek uit ga naar zijn aanwijzingen. Het mag wat training vergen om een natuurlijke artistieke argwaan te ontwikkelen, maar als die er is, wordt een tekst steeds rijker.’ Juist door zich op de gewone lezer te richten is Hoe lees ik? een ideale gids voor iedereen die het lezen tot kunst wil verheffen.

Lidewijde Paris - Hoe lees ik? | paperback 288p. | 1e dr. Nieuw Amsterdam