Bijvoorbeeld het alom bejubelde Oroppa. Recensenten prezen het de hemel in, de Librisjury bekroonde het, maar in mijn omgeving waren er toch wel erg veel lezers die het niets vonden. Het niet uit kregen, zo ook ik. Na tweehonderd bladzijden vond ik het genoeg. De veelheid aan verhalen en personages rond kunstenaar Salomé Abergel konden me niet boeien. Niets mis met literatuur die wat van een lezer vraagt, maar voorwaarde is dan natuurlijk dat het je allemaal wat moet kunnen schelen. En dat deed het simpelweg niet.
Wat ik ook vrij snel weglegde: De bewaring van Yael van der Wouden. Het stond op de shortlist van de Booker Prize, maar waarom begrijp ik niet. Het is veel te literatuurderig, elke zin moet vooral betekenisvol zijn. Het begin:
Onder de wortels van een dode kalebas stuitte Isabel op een stukje gebroken aardewerk. In het voorjaar had het nog een tijdje gevroren en was er een week lang natte sneeuw gevallen, en nu, op de drempel van de zomer, begon de moestuin al te verkommeren. De bonen, de radijsjes, de bloemkool: allemaal bruin en verrot.
Binnen drie zinnen zit de rot al in het verhaal, dat zal gaan over de schandelijke manier hoe Nederlanders omgingen met de Joden die terugkeerden na de Tweede Wereldoorlog. Van der Wouden schrijft het op in een belegen alwetende vertelstem die het niet alleen showt maar ook nog even alles tellt voor iedereen op de achterste rij die niet zit op te letten.
Nachtschade
Dan mijn favorieten van dit jaar. Daartoe behoort zeker Nachtschade van Emma Laura Schouten. Opvallend aan de ontvangst dit boek: de Nederlandse pers is wat zuinig met de lof. De roman wordt geprezen, maar met voorbehoud. In Vlaanderen is men minder voorzichtig en werd het ook genomineerd voor de Bronzen Uil, een prijs voor het beste debuut. Ik snap dat. Het is namelijk een prachtig geschreven roman over een jonge vrouw die kampt met migraine, die in de roman de naam Antaura krijgt, naar de Griekse demon. Om meer grip te krijgen op haar leven met ziekte verdiept ze zich in de levens van vrouwen die haar voorgingen in een leven met migraine zoals Joan Didion, Susan Sontag, Virginia Woolf en Anne Finch Conway. Naar deze laatste doet ze voor haar afstudeerscriptie onderzoek, waarvoor ze naar Engeland reist.
De migraine beheerst haar leven, ook als ze geen last heeft van een aanval: ze weet nooit wat een nieuwe aanval op kan wekken en doet dus voorzichtig uit voorzorg. Nachtschade geeft taal aan een ervaring die onmogelijk is om na te voelen en laat de lezer op die manier iets dichterbij komen bij wat zich normaal gesproken in stilte en duisternis afspeelt. Hoewel migraine een belangrijk gegeven is in de roman, gaat het over meer dan dat, namelijk over de vraag hoe te leven en in hoeverre je gevormd wordt door zoiets als ziekte:
Antaura (…) nestelde zich in mij en groeide als klimop langs de wanden van mijn persoonlijkheid, tastte de mortel tussen de richels aan zodat mijn karakter poreus werd. Ik wist niet meer welke scheuren er altijd geweest waren of welke hoe dan ook hun intrede hadden gedaan, als Antaura me nooit had bezeten.
Lees hier een uitgebreidere bespreking van Nachtschade die ik eerder schreef.
Rouwdouwers
Net als Nachtschade was Rouwdouwers genomineerd voor de Bronzen Uil – het won de lezersprijs. Stond ook al op de shortlist voor de Librisprijs en werd al lovend besproken. Ik kreeg het getipt door een collega en had aanvankelijk enige reserves. In het beging scheert het langs het tragikomische, waar ik zo de schurft aan heb. Bijvoorbeeld wanneer de moeder van Ada overlijdt na een val van haar fiets. Zeer tragisch natuurlijk, maar door de manier waarop het verteld wordt heeft het ook iets lulligs. Ik vreesde even voor welke kant het op gaat, maar het ging helemaal goed.
Ada vertelt als mid-twintiger (schat ik zo) vanuit een verlaten kunstenaarskolonie in Spanje. De enige ander daar is Molina, een wat stugge Spanjaard met wie ze amper een woord kan wisselen. Daar heeft ze ook helemaal geen behoefte aan; ze is op de vlucht. Ze wilde weg uit de wereld van pretentieuze kunstenaars in spe die ze tegenkwam bij haar opleiding aan de kunstacademie, veelal afkomstig uit een bevoorrecht milieu, zoals haar huisgenoot Frédérique. Mooi beschrijft Falun Ellie Koos dit milieu en treffend wordt duidelijk waarom Ada hier totaal geen aansluiting vond.
Anders dan veel van haar medestudenten groeide ze op in armoede: in een stacaravan met haar vader en broertje. Vader is genoeg getekend door het leven om het niet meer te vertrouwen, geen fiducie meer te hebben in de overheid, weet dat hij er helemaal alleen voor staat. En met die instelling voedt hij zijn kinderen op: hij zorgt er – behoorlijk meedogenloos – voor dat ze net als hij rouwdouwers worden die zich in de wereld kunnen redden. Bij Ada lukte dat, al heeft ze er een flinke prijs voor moeten betalen, bij haar broertje Broos niet.
Ada zit in Spanje en vertelt over haar jeugd, uitvlucht naar de kunstacademie en verloochening van haar afkomst. Rouwdouwers is een verhaal van iemand die rekenschap wil afleggen, een pijnlijk verhaal. Tegen het einde was al mijn reserve uit het begin verdwenen: het is prachtig en ontroerend.
Lees hier een uitgebreidere bespreking van Rouwdouwers die ik eerder schreef.
Het objectief
Mijn grootste ontdekking van het jaar is Martien van Agtmaal. Ik las zijn debuut Het objectief en wil zeker zijn volgende boek als het uitkomt lezen. Ook deze roman was een tip en die was ook nodig, want eerder – de roman kwam twee jaar geleden uit – ben ik er met een boogje omheen gelopen. Ik las destijds een vrij negatieve recensie, en dat was ook de enige in krant of tijdschrift. Nu denk ik: hoe onterecht! Wellicht had Het objectief te weinig ‘haakjes’: de schrijver ervan is man, wit en – zo wist een oud-collega uit eigen ervaring te vertellen – ook hetero (niet divers!). Zijn roman speelt zich af in Amsterdam (geen stem uit de provincie!) en ook zijn thematiek is verre van vernieuwend. Bezwaarlijk? Voor mij niet. Hij schrijft namelijk goed. Erg goed zelfs. Maar ik had er dus een tip voor nodig om dit te ontdekken.In Het objectief volgen we een groep dertigers; voornamelijk David, Brecht en Reaux, maar ook Alexia en Noor kruisen hun paden. Het is de laatste dag van februari, stervenskoud en ’s avonds vindt Nachtrust plaats, een groot feest, zonder aanleiding, gewoon omdat kan, Oud en Nieuw meets koningsnacht – zoiets. De roman volgt deze figuren gedurende deze dag en nacht in grote anticipatie van wat er allemaal staat te gebeuren. Het tekent deze generatie die ‘erbij wil zijn’, zonder dat echt duidelijk is wáárbij dan en wat er zo bijzonder is. De zoektocht naar die ervaring laat Van Agtmaal mooi zien in het schier eindeloze gefiets door de stad – als lezer kun je de personages heel precies volgen.
Je kunt Het objectief lezen als een treffende schets van (en kritiek op) het hedendaagse leven: een stad die hijgerig inspringt op de behoefte om altijd het hipste na te jagen, die behoefte an sich, het gebrek aan zekerheid door torenhoge huizenprijzen of huur, onzekerheid over werk en voldoening daaruit halen. En toch denk ik dat het niet daarom gaat in de roman; het vormt eerder de achtergrond waartegen het verhaal zich afspeelt. Het objectief gaat volgens mij namelijk vooral over de dynamiek binnen de vriendschap en liefdesrelaties van de personages. Het pijnlijke daaraan is – en dat beschrijft Van Agtmaal ontzettend sterk – dat niemand echt contact weet te maken met een ander. David, Reaux, Brecht, Alexia, allemaal zijn het dolende zielen in eenzaamheid.
Van Agtmaal heeft twee grote, en voor een schrijver onontbeerlijke talenten: hij kan erg goed kijken én hij kan vervolgens wat hij ziet goed opschrijven. Vroeg in de roman is er bijvoorbeeld een poes ‘gefocust op raadselen binnen sprongafstand’. Ik houd van zulke zinnen. Een treffender beschrijving van poezengedrag ben ik volgens mij niet eerder tegengekomen. Het objectief zit vol goede zinnen, scherpe observaties en ik vermoed dat Van Agtmaal met plezier heeft zitten schrijven. Ik heb in ieder geval met heel veel plezier zitten lezen.
De herinnerde soldaat
De hierboven genoemde boeken vond ik zonder meer goed, maar echt ondersteboven was ik van De herinnerde soldaat van Anjet Daanje. Vorig jaar las ik haar laatste roman, Het lied van ooievaar en dromedaris. Dat was een kennismaking die zo goed beviel dat ik meer wilde van Daanje wilde lezen en zodoende las ik afgelopen zomer voorganger De herinnerde soldaat. Bij Het lied was ik onder de indruk van de de grootse opzet en de knappe constructie. De herinnerde soldaat vind ik nog beter, want menselijker.
Amand Coppens is in de Eerste Wereldoorlog zijn geheugen kwijtgeraakt; Julienne is haar man verloren en herkent hem na het zien van een advertentie. Ze neemt Amand weer in huis waar ze hun leven van voor de oorlog opnieuw moeten opbouwen. Daanje heeft een scherp oog voor hoe de relatie tussen Amand en Julienne gevormd wordt door elke blik naar elkaar, elk uitgesproken en vooral ook elk onuitgesproken woord.
Daanje beschrijft de relatie van heel dichtbij – in de roman zit je voortdurend in het hoofd van Amand – en maakt daarmee ook de verwarring voelbaar van welk verhaal er bij Amands leven hoort. Door zijn geheugenverlies herkent hij niets meer van zijn leven met Julienne en tegelijkertijd wordt hij geplaagd door nachtmerries uit de oorlog en andere waanbeelden. Het einde van de roman voorvoelde ik ergens, maar had het toch niet zo verwacht. Het liet me onthutst achter en nu, een half jaar later, zit ik nog steeds met een vraag waar ik niet uit ben. Zeldzaam goed dus!
Lees hier een uitgebreidere bespreking van De herinnerde soldaat die ik eerder schreef.
Mooie lijst, Just! Martien van Agtmaal was langs mij heen gegaan, die staat nu genoteerd. ‘De bewaring’ was een gekke leeservaring, want ik werd er helemaal in meegesleept, maar achteraf zag ik in dat het eigenlijk helemaal niet zo goed geschreven is. Andersom gebeurt ook: dat iets technisch goed in elkaar zit, maar het doet me niks. Naar ‘Nachtschade’ was ik al benieuwd, dat moet ik écht gaan lezen.