Afgelegen, maar nooit afgezonderd

Over De atlas van afgelegen eilanden van Judith Schalansky

‘Drink met je billen bloot, melk uit een kokosnoot.’ Al op jonge leeftijd is het een droombeeld: weg van alles en wonen op een onbewoond eiland. Niet alleen voor de Gooise jongens en meisjes van Kinderen voor kinderen. Als kind was Judith Schalansky gefascineerd door atlassen. In 1980 geboren in het Oost-Duitse Greifswald waren wereldkaarten de vensters voor haar escapisme. ‘Waarschijnlijk hield ik zo van atlassen omdat hun lijnen, kleuren en namen voor mij de plaatsen vervingen waar ik nooit naartoe kon,’ schrijft ze. Een ‘atlaskind’ is ze altijd een beetje gebleven, getuige De atlas van afgelegen eilanden van de inmiddels grote Judith Schalansky, schrijfster en grafisch ontwerper.

Zeggen dat Judith Schalansky boeken schrijft, doet haar te kort: ze máákt ze. Voor De atlas van afgelegen eilanden koos ze ‘vijftig eilanden waar ik nog nooit ben geweest en ook nooit zal komen,’ zoals de ondertitel luidt. Elk eiland krijgt een dubbele pagina: rechts een door haarzelf ontworpen kaart, op de linkerpagina wat geografische informatie en een verhaal over die plek. De letter waaruit het boek gezet is heeft ze ook zelf ontworpen. Mooi detail is nog het geel op snee en het zal niet verbazen dat deze Atlas werd verkozen tot mooiste Duitse boek van 2009.

Het paradijs is een eiland…

‘Welke drie dingen zou je meenemen naar een onbewoond eiland?’ We kennen de vraag allemaal. De sluimerende fantasie van je eigen robinsonade gaat nooit helemaal weg. Het is tenslotte een aantrekkelijk idee. Opnieuw beginnen in je eigen paradijs. Zo onmogelijk als het lijkt, is het toch niet. Ieder jaar stuurt het Nieuw-Zeelandse Department of Conservation voor twaalf maanden iemand naar Raouleiland (29° 6′ Z.B., 177° 55′ W.L.). Wie aanvechtingen heeft kan zijn motivatie richten aan Department of Conservation, PO Box 474 Waworth, Nieuw-Zeeland.

Hoe goed het leven kan zijn op een afgelegen eiland, beschrijft Judith Schalansky bij Pukapuka (10° 53′ Z.B., 165° 51′ W.L.). Ze beschrijft het leven van de Amerikaan Robert Dean Frisbie op dit eiland. De bewoners van dit eiland lopen hier naakt rond en iedereen doet het met iedereen. ‘Seks is een spel, en voor jaloezie is geen plaats (…) In deze dingen heeft Pukapuka toch wat op Cleveland voor, denkt Robert Dean Frisbie en hij dooft het verandalicht.’ Het hangt misschien een beetje af van je levensovertuiging, maar als je dit leest zou je bijna denken dat Pukapuka inderdaad het paradijs op aarde is.

… de hel is het ook

‘Het paradijs mag dan een eiland zijn,’ schrijft Schalansky in de inleiding van De atlas van afgelegen eilanden, ‘de hel is het ook,’ haast ze eraan toe te voegen. Het merendeel van de verhalen bij de eilanden getuigt van ellende. Norfolk (29° 2′ Z.B., 167° 57′ O.L.) mag er paradijselijk groen uitzien, het was de meest gevreesde strafkolonie van het Britse imperium. Of wat te denken van Saint Kilda (57° 49′ N.B., 8° 35′ W.L.)waar om onduidelijke redenen pasgeboren baby’s binnen een paar weken sterven?

Niet zelden is het de ligging of het gebrek aan middelen om er te overleven die de mens in problemen brengt, maar niet altijd. Vliegenier Amelia Earhart wilde bijvoorbeeld na als eerste vrouw de Atlantische Oceaan te zijn overgevlogen iets doen wat nog nooit iemand gelukt was. In juli 1937 begon ze aan een tocht die de langste vlucht ter wereld moest worden: de evenaar rondvliegen, een vlucht van 29.000 mijl. Voor de kust van Howland (0° 48′ N.B., 176° 37′ W.L.) wordt ze opgewacht door een kotter met nieuwe brandstof.

Het atol is zo klein dat een wolk voldoende is om het aan het gezicht te onttrekken. Om 7.42 uur is Earharts stem over de radio te horen: We moeten vlakbij zijn, maar kunnen jullie niet zien. Brandstof wordt krap. Een uur later een nieuwe oproep: Vliegen op lijn 157-337, volgen noord-zuid. Op de Itasca zoeken ze allemaal met veldkijkers de horizon af, zenden signalen, maar de ether antwoord niet meer. Vlak achter de datumgrens verdwijnt Amelia Earhart op haar vlucht naar gisteren. De oceaan zwijgt.

Een stempel op de wereld drukken

Hoewel elk eiland een afzonderlijk verhaal krijgt, zou je ze allemaal kunnen samenbrengen onder de noemer van de manier waarop de mens zich tot de wereld verhoudt. Die in kaart wil brengen, daarop een plek wil innemen (soms de onmogelijkheid daarvan) en daarop een stempel wil drukken. In een nogal extreem voorbeeld zie je dat bij Fangataufa (22° 15′ Z.B., 138° 45′ W.L.). Het kleine eiland ligt midden in de Grote Oceaan; wie ter oriëntatie op de wereldbol bovenaan de linkerpagina kijkt, ziet de grote continenten nog net langs de randen kruipen. Frankrijk vond deze afgelegen atol een geschikte plek om in 1968 de eerste waterstofbom te testen.

De luchtdrukgolf trekt naar buiten, werpt zijn ringvormige schaduw over de lagune, het atol, de zee en stuwt de oceaan met een vloedgolf richting horizon.// Daarna is er niets meer. Geen huizen, geen installaties, geen bomen, helemaal niets. Het hele eiland wordt vanwege radioactieve besmetting geëvacueerd. Zes jaar mag Fangataufa door niemand meer worden betreden.

Het verlangen om de wereld – zo’n wereld – achter te laten is begrijpelijk. De bewoners van Takuu (4° 45′ Z.B., 156° 59′ O.L.) denken er misschien wel net zo over. Geen missionaris of onderzoeker willen de bewoners op hun kleine eiland hebben. Het is slechts 1,4 km2 groot en steekt slechts 1 meter boven de vloedkop uit. ‘De godganse dag drinken ze het sap van de kokospalmen, dat in het hete zonlicht is gegist.’ Maar zelfs daar, aan de andere kant van de aardbol ben je niet afgezonderd van de wereld die je misschien achter je had willen laten. De aarde warmt op, de ijskappen smelten, de zeespiegel stijgt.

Judith Schalansky – De atlas van afgelegen eilanden | Atlas der abgelegenen Inslen, vert. Goverdien Hauth-Grubben | halflinnen, 144p. | 1e dr. Signatuur

2 gedachten over “Afgelegen, maar nooit afgezonderd”

  1. Ha Just,

    Opnieuw een mooie recensie die uitnodigt om het boek te lezen. Ik heb dat inmiddels, en las ook Verzeichnis einiger Verluste en Der Hals der Giraffe. Ik ben het met je eens dat het prachtige uitgaven zijn, zeer verzorgd. Maar ik moet je tot mijn spijt en schande zeggen dat ik alle drie boeken halverwege heb weggelegd. Ze konden me niet boeien en dat ligt aan mij.

    Hartelijke groet,
    Wieb

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *