Willem Frederik Hermans beschouwend

WFH - Volledige werken 11Van deel 11 van Hermans’ Volledige Werken restten mij nog ‘Machines in bikini’ en ‘Dinky Toys’. De eerste 747 pagina’s van dit deel waren mij al niet meegevallen. Het viel me op dat Hermans in deze beschouwingen zich enorm kon opwinden over kwesties die (nu) volstrekt oninteressant zijn. Wie Hermans betichtte van een onjuistheid, kon rekenen op een antwoord (al dan niet onder pseudoniem) waarin hij er haarfijn op werd gewezen – met paginanummer, mind you – dat bijvoorbeeld Du Perron wel degelijk dit of dat had geschreven. Waarom hield Hermans zich toch hiermee bezig?

Dinky Toys

In dat opzicht treft ‘Dinky toys’ me als een heel behoorlijke samenvatting van de in dit deel gebundelde stukken. In ‘Dinky Toys’ zijn Hermans’ her en der al eerder gepubliceerde aforismen gebundeld. Af en toe een scherpe, gevatte uitspraak is wellicht leuk, zo bij elkaar gebundeld is het wat al te veel van het goede. Bovendien, veel uitspraken vind ik jammer genoeg niet interessant. Waarom dit boekje?

En natuurlijk zitten er ook weer aforismen tussen waarin Hermans grappig probeert te zijn, maar ik heb echt een ander gevoel voor humor. Zijn sneren naar andere schrijvers kan ik helemaal slecht hebben. Wat een flauwigheid alweer. Op te maken uit een van zijn aforismen, ben ik niet de enige die van mening is dat Hermans zich te veel verlaagt met zijn pesterijen – waar Hermans natuurlijk weer een antwoord op heeft:

Een adelaar vangt geen vliegen, schrijft mij een vereerder, in het Latijn, aquila non captat muscas. Maar de narigheid is dat ik niet zou weten wat er in Nederland verder nog te vangen valt.

Behalve de flauwigheid valt op hoe gedateerd Hermans’ opwinding is. De vroegste dinky toys komen uit begin jaren zestig; deze bundel dateert van 1988. En welke schrijvers passeren de revue? Anton van Duinkerken, Menno ter Braak, Simon Vestijk, Louis Couperus – wie heeft hun werk gelezen? Vingers, iemand? Alleen Mulisch en Van het Reve zijn nu nog (enigszins) bekend. Nederland gaat niet echt goed om met zijn literaire erfgoed, zeker, maar beter had Hermans zijn eigen raad opgevolgd:

Denk eraan, kleine straathond: als je tegen een monument plast, dan alleen tegen monumenten die er morgen ook nog staan.

Machines in bikini

‘Machines in bikini’ (uit 1974) is een wat apart essay om na zo veel jaar te lezen. Misschien omdat ik de periode van schier naakte machines nooit heb meegemaakt, misschien ook omdat ik niet zo’n grote techniekfan ben als Hermans – spelen met een elektriseermachine is bij mij als jongetje echt nooit opgekomen. Waardoor het ook komt, ik heb werkelijk geen enkele voeling met wat Hermans schrijft over het ontwerp van machines.

Hermans betreurt dat machines er allemaal hetzelfde uitzien; aan hun uiterlijk is niet meer te zien met welk apparaat je te maken hebt: ‘een elektrisch scheerapparaat kan gemakkelijk worden verwisseld met een stuk zeep (…)’. Alle apparaten zijn tegenwoordig gestroomlijnd en daardoor is niet meer te zien hoe ze van binnen werken. En nog erger: veel apparaten zijn ook niet meer makkelijk open te maken, zodat knutselaars gefrustreerd raken in hun hobbykamer.

Een nog groter ongeluk van de moderne tijd (i.e. 1974, maar dat is sindsdien alleen maar meer geworden) is dat apparaten steeds minder mechanisch werken. Een apparaat wordt niet meer aangestuurd door raderen en krukassen, maar door chips:

Maar ideaal is meer en meer de machine waarin niets meer beweegt. Enkele jaren zijn voldoende geweest om de ratelende sprossenradtelmachines te doen wegvagen door plastic doosjes vol elektronica, die niet groter dan een zakagenda zijn. Doodstil laten de horloges lichtjes aan- en uitgaan.

Rekenapparaten_numeria_middel
Numeria: een sprossenradtelmachine

Hermans is me in dit korte essay helemaal kwijtgeraakt. Techniek interesseert me te weinig om Hermans’ onvrede mee te kunnen voelen. Het jammere is vooral dat Hermans’ essay een bijeengeraapte indruk maakt. In vier hoofdstukjes (elk ongeveer twee pagina’s tellend) snijdt hij namelijk telkens net even een ander punt aan dat hij niet helemaal uitwerkt. Om dan bij een wat vergezochte conclusie uit te komen: machines bewegen niet meer (want elektronicagestuurd) en de volgende stap is dat niets meer beweegt. Sterker nog, beweert Hermans ter afsluiting:

In die tijd, waarin iedereen gesuggereerd zal worden dat hij gelukkig is, hoeft er vanzelfsprekend op de hele wereld niets meer te gebeuren.

Want waarvoor?

Willem Frederik Hermans – Volledige werken deel 11
gebonden, 1101 p.
1e dr. De Bezige Bij

Lees ook:

2 gedachten over “Willem Frederik Hermans beschouwend”

  1. Een late reactie: lezend naar aanleiding van de verschijning van het tweede deel van Otterspeers Hermans-biografie kwam ik hier terecht. Het volgende moet me van het hart. “Anton van Duinkerken, Menno ter Braak, Simon Vestijk, Louis Couperus – wie heeft hun werk gelezen? Vingers, iemand?”, schrijft u. Van Duinkerken OK, die wordt niet meer gelezen. En Ter Braak kennen we ook nauwelijks meer uit zijn eigen werk. Maar Vestdijk en Couperus? Als dat geen ‘monumenten’ zijn (en daar ging het in die passage over), wat zijn dan wel monumenten in de Nederlandse literatuur?

  2. Beste Joos,

    Dank voor uw reactie. Van de genoemde schrijvers is Van Duinkerken inderdaad wel het meest in de vergetelheid geraakt, denk ik. Maar hoe dan ook: alle vier hebben ze hun plaats in de literatuurgeschiedenis. Ik wil dan ook niet betwisten dat het ‘monumenten’ zijn (de ene een groter dan de ander). Waar het me om ging was dat geen van deze schrijvers, ook Couperus en Vestdijk niet, er vandaag ‘nog staan’ als monument. Een aantal van hun werken is nog verkrijgbaar, maar wordt het ook gekocht? En gelezen? Wie van de jongere generatie kent hun werk? Dit vooral bedoeld om aan te geven hoe gedateerd de aforismen van Hermans op de lezer van nu overkomen.

    ‘Alleen Mulisch en Van het Reve zijn nu nog (enigszins) bekend,’ schreef ik verder, net als Hermans met deze maand zijn biografie en later dit jaar de film Beyond Sleep. Maar hoe lang zal dat nog duren? Is hen een ander lot beschoren dan de andere vier? Laten we het hopen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *