Het volledige leven

Opmaak 1Wat is een biografie? Is het wetenschap? Mensen promoveren erop. Is het een literair genre? Volgens mij toch ook wel. Wat moet een biografie doen? Waarom lees ik ze – soms? Eigenlijk heel eenvoudig: om meer te weten te komen over iemand. Maar hier begint het: wat wil ik van die iemand weten? Als ik mij even beperk tot de biografieën van schrijvers: wil ik meer weten van hun werk (dat ik bewonder) of meer van het leven? In ieder geval hun werk. En van hun leven ook wel iets; volgens mij hangen werk en leven samen. Maar hoeveel wil ik dan weten?

Ik ben denk ik in het leven van een schrijver geïnteresseerd voor zover het met zijn werk te maken heeft. Nu wil ik ook niet heel kinderachtig zijn; dat leven mag mooi beschreven zijn met leuke anekdotes. Maar de biograaf moet de verleiding weerstaan om alles maar op te schrijven.

Archief

Maar goed, krijg je als biograaf toegang tot het archief van een auteur, dan moet je wel uitpakken. Daar komt bij, schrijft Willem Otterspeer in de inleiding van zijn Hermansbiografie De mislukkingskunstenaar, dat het archief alleen is opengesteld ten behoeve van de uitgave van de Volledige werken en van deze biografie. Daarna wordt het weer gesloten, dus wat er nu niet uit komt, zal er ook nooit meer uit komen. Otterspeer heeft zo veel mogelijk parels opgedoken uit dat zéér omvangrijke archief van Hermans. Ook heeft hij Hermans veel zelf aan het woord willen laten; uitvoerig citeert hij uit brieven.

Nu begrijp ik Otterspeer volkomen, maar toch… Volledigheid is toch niet te bereiken, al zou je het gehele archief citeren. De ruime keuze die nu uit het archief gemaakt is, blíjft een keuze – en naar mijn smaak is die te ruim. Otterspeer is net als Nop Maas bij Van het Reve in de val van het detail getrapt. Hij wil alles met zijn lezer delen, zelfs Hermans’ boordmaat of de bonnetjes van een bezoek aan Groningen. De schrijver interesseert mij vooral voor zover die meer inzicht in het werk kan verschaffen. Ik ben geen ‘verzamelaar van zinloze details’, dus voor mij mocht het gerust een onsje minder. Ook vind ik dat Hermans wel erg veel geciteerd wordt. Lang niet altijd zijn die citaten een meerwaarde. Dan had het korter gekund.

Maar misschien is er nog wel een belangrijker reden waarom deze biografie zo vreselijk dik is geworden. Het werk van Hermans wordt beschreven, zijn leven wordt uitvoerig beschreven en de achtergronden worden beschreven. Uiteraard is context belangrijk, maar moet werkelijk ieder persoon toegelicht worden? Kan ik Hermans beter begrijpen als ik weet wat de promotie-onderwerpen van zijn gymnasiumleraren waren? Moeten er werkelijk vier pagina’s gewijd worden aan de grondlegger van de sociografie in Nederland? Mijns inziens dwalen we dan een beetje af van het onderwerp waar het allemaal om begonnen was.

De mislukkingskunstenaar Hermans

Willem Frederik Hermans in 1940

Otterspeer neemt twee korte essays van Freud als uitgangspunt voor De mislukkingskunstenaar, ook al waarschuwde Hermans zelf tegen dit soort ‘psychologische toverformules.’ Maar, schrijft Otterspeer, ‘Er is dan ook geen sprake van toepassing, alleen maar van een beleefd verzoek om even dezelfde richting op te kijken als Freud. Hermans wordt niet “geanalyseerd” en de schrijver wordt dan ook niet op de divan gelegd.’ Nu vind ik dat er sprake is van wat meer dan even dezelfde kant op kijken: Freud laat zeker zijn sporen na in deze biografie. Otterspeer schenkt bijvoorbeeld erg ruim aandacht aan de jeugd van Hermans. Zou in de jeugd een verklaring te vinden zijn voor dingen uit het latere leven? De relatie tussen jongetje Hermans en de ouders, met name zijn vader, komen aan bod.

De titel De mislukkingskunstenaar ontleent Otterspeer aan een brief van Hermans aan Fokke Sierksma waarin Hermans schrijft:

Veel mensen begrijpen niet dat mijn kinderachtigheid, vooral bestaat uit een begeerte naar het ‘alles’, in vergelijking waarmee het ‘bijna alles’ waardeloos wordt.

Hermans eist meer dan mogelijk is, waardoor alles uitloopt op een mislukking. Dit patroon neemt de biograaf als centraal thema om niet alleen Hermans’ werk, maar ook diens leven te duiden. En dit patroon herkent hij in talloze gebeurtenissen in Hermans’ jeugd: ‘Het was inmiddels de zoveelste nederlaag die hij leed, in zijn nog zo jonge leven.’ Terecht corrigeert Otterspeer zich door eraan toe te voegen: ‘Of liever gezegd, het was de zoveelste nederlaag die de schrijver projecteerde op zijn jeugd.’ De context is hier het verhaal ‘Een toerist’ waarin Hermans een schoolexcursie in de natuur beschrijft. Wanneer het jongetje de excursie met zijn vader over doet, loopt het natuurlijk uit op een grote mislukking.

Otterspeer geeft zich er rekenschap van dat mislukking een projectie is van Hermans op zijn leven. Tegelijkertijd heeft hij voornamelijk oog voor gebeurtenissen die dit beeld van Hermans’ jeugd bevestigen. Zo lijkt het alsof alles wat de jonge Hermans ondernam, een stap is op weg naar het grote schrijverschap der mislukking. Mijn vraag is of dat werkelijk zo was. Was er dan werkelijk niets van vreugde? Zat het Hermans nooit eens mee? Af en toe laat Otterspeer een ander geluid horen, maar hoe uitzonderlijk dat moet zijn geweest, onderstreept hij met zinsneden als ‘en áls er dan eens iets lukte…’ Geeft De mislukkingskunstenaar nu niet een te eenzijdig beeld van Hermans’ leven? Is er niet te veel weggelaten wat buiten het thema van mislukking valt?

 Otterspeer haalt mooie brieven aan met boeiende bekentenissen of vernietigende kwalificaties over anderen.

Ook op andere momenten laat Otterspeer zich leiden door de verhalen van Hermans. De verhalen met het personage Richard Simmillion staan bekend als autobiografische verhalen. Als de biograaf deze verhalen gebruikt om Hermans’ leven in te vullen (bijvoorbeeld bij de beschrijving van een ruimte), dan snap ik dat, maar het lijkt me ook juist zijn taak om te kijken in hoeverre deze verhalen op de werkelijkheid gebaseerd zijn. En soms gaat Otterspeer dan ook te ver. Hij doet dan alsof een verhaal precies de werkelijke gang zaken weergeeft, zonder dat hij dat aantoont met gegevens uit het leven van Hermans: ‘Als we voor Richard even Willem Frederik lezen en voor Robbie Charles, voor Ljoeba Genia, voor Sibylle Albertien en voor Nanna Truusje, zijn we midden in de werkelijkheid aangeland.’ Om vervolgens uit een verhaal te citeren. Had Otterspeer dan maar gedacht aan wat hij verderop in zijn biografie zou schrijven:

Maar dit maakte van een roman nog geen autobiografie. Iemands werk gaf altijd een een ‘beeld van zijn karakter’. Maar vervolgens kon je simplistisch of subtiel te werk gaan. De willekeurige of simplistische manier was die van de biograaf: het lezen van het leven in het werk.

Ruzie

De jeugd en jonge jaren van Hermans komen zeer uitgebreid aan bod. Pas rond de helft van het boek begint de periode waarin Hermans echt begint te publiceren. Het is ook pas vanaf de helft dat het verhaal een beetje op gang wil komen en interessant wordt. Otterspeer gaat vanaf dan in op het literaire landschap in Nederland vlak na de oorlog. De verschillende literaire tijdschriften komen langs en Hermans’ onvrede met veel van die tijdschriften en de daaraan verbonden redacteuren.

Otterspeer is op zijn best in de beschrijving van Hermans’ vriend- en vijandschappen. Hij haalt mooie brieven aan met boeiende bekentenissen of vernietigende kwalificaties over anderen. Het is vooral leuk om hierbij te bedenken dat Hermans in deze jaren nog maar een jonge, eigenlijk net begonnen auteur was. Nog lang niet was hij uitgegroeid tot een van de grootste schrijvers van Nederland met romans als Nooit meer slapen; zijn tweede roman Tranen der acacia’s had hij nog niet gepubliceerd gekregen!

Veel echte vriendschappen had Hermans niet in die jaren – althans niet voor lange tijd. Vroeg of laat kreeg hij met iedereen ruzie. Zo ook met een van zijn betere vrienden Adriaan Morriën. Van deze laatste wordt een brief aangehaald waarin, denk ik, een van de betere omschrijvingen van Hermans’ karakter staat:

Maar jij wilt nu eenmaal niet alleen altijd gelijk hebben, je verdraagt eenvoudig geen woord van kritiek. In feite is het onmogelijk met jou over je werk te spreken, wanneer het niet in blinde bewondering of verheerlijking gebeurt, waarover je je dan au fond weer ergert. Je kunt met jou niet spreken over dingen die je werkelijk ter harte gaan, omdat je ieder verschil, elke persoonlijke gedifferentieerdheid als een bedreiging of een belediging opvat.

Ik moest hierbij ook onwillekeurig denken aan Hermans’ legendarische uitspraak jaren later bij Adriaan van Dis: ‘Nee, het is een vertelgesprek van mijn kant.’

Relaties

Allebei waren ze ervan overtuigd dat zij het zelf het slechtst getroffen hadden.

Hierboven had ik het al over de enorme vracht details die Otterspeer in zijn biografie heeft verwerkt. Maar zo gedetailleerd als hij over sommige onderwerpen kan schrijven, zo summier is hij over andere – belangrijkere – onderwerpen. Hoe zat het bijvoorbeeld met de relatie tussen Hermans en Van het Reve? Toen Otterspeer nog bezig was met het bezorgen van hun briefwisseling heeft hij eens gezegd dat je met deze brieven aan de kern van de moderne Nederlandse literatuur raakt. Dat maakt nieuwsgierig naar hoe het zat tussen die twee schrijvers, maar Otterspeer schrijft er niets over! ‘Slechts’ 22 keer valt de naam Reve, maar bijna uitsluitend als ontvanger van een brief van Hermans of in verband met een literaire rel – beide schrijvers stuitten op verzet tegen hun werk. Beiden woonden ze in Amsterdam, maar zagen ze elkaar ooit? Otterspeer zwijgt. Waren ze vrienden? De mislukkingskunstenaar geeft het antwoord niet. Nop Maas, biograaf van Van het Reve doet dat wel: ja, zij waren zeer zeker vrienden; twee jonge schrijvers die de literatuur veranderden, verbonden door in ieder geval hun afkeer van veel andere schrijvers. En ja, ze zagen elkaar ook. Maas vertelt dat Hermans en Van het Reve gezamenlijk hun beide ouders opzochten, om uit te vinden wie de ergste had. Allebei waren ze ervan overtuigd dat zij het zelf het slechtst getroffen hadden.

Opvallend weinig wordt er ook verteld over Emmy Meurs, Hermans’ (latere) vrouw. Hermans ontmoet haar pas in de zomer van 1949; dit deel van de biografie gaat tot en met 1952. Een jaar nadat ze elkaar hadden leren kennen trouwden ze al. Ze gingen op reis, dat vertelt Otterspeer, maar wat vónd Hermans van haar? Hoe vaak spraken ze af? Schreef hij haar brieven? Wederom zwijgt deze biografie in alle talen. Des te opvallender omdat een jeugdige verliefdheid op Truusje breed uitgemeten wordt.

Hopelijk beter

‘Alles mag, als het maar niet verveelt,’ schrijft Otterspeer in de inleiding over het schrijven van een biografie. In de eerste helft verveelde hij me vaak – te vaak zelfs. Niet alleen met de hiervoor genoemde overdaad aan details maar zeker ook wanneer de biograaf op de voorgrond wil treden met zinnen als:

En, lezer, onthoud de naam Hidde Heringa, want hij zal een belangrijke rol spelen in het leven van onze schrijver. En onze schrijver een nog veel belangrijkere rol in het zijne.

De tweede helft van het boek is beduidend interessanter, maar opvallend genoeg komen sommige zaken waarin ik geïnteresseerd ben dan juist weer niet aan bod. Goed, deel 2 moet nog komen en het is te hopen dat dat deel beter is. Niet alles willen beschrijven, het hoeft niet het volledige leven te dekken. Geen ‘zinloze details’ (ja echt, het is Otterspeer zelf die toegeeft deze op te nemen in zijn biografie), maar waar nodig uitgebreid vertellen.

 

Willem Otterspeer – De mislukkingskunstenaar. Willem Frederik Hermans. Biografie deel 1 (1921-1952)
harde kaft, 861p.
2de dr. De bezige bij

Lees ook:

Eén gedachte over “Het volledige leven”

  1. Voor verschijning van De mislukkingskunstenaar was er al heel wat over te doen geweest. Max Pam viel Otterspeer aan in De Volkskrant. Otterspeer sloeg terug. In De Gids ging Otterspeer er nog even verder op in. Nu net ontdekte ik een antwoord dáár weer op van Jan Gielkens en Peter Kegel op de website van Hermans’ Volledige werken: http://www.wfhermansvolledigewerken.nl/?p=1576

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *