Quod est demonstrandum

Kommer en kwel in het boekenvak. Boekhandels hebben het al jaren moeilijk. Niemand koopt meer Het-afscheid-van-de-literatuurboeken en waarom zou je ook? Literatuur heeft haar waarde verloren. Ze doet er totaal niet meer toe. ‘Lezen is voor losers,’ ik heb het onlangs iemand in alle ernst horen zeggen. En de schuldigen? Gemakkelijk wordt gewezen naar andere media zoals televisie en internet. Nu zal professor William Marx een andere diagnose stellen. De literatuur heeft het allemaal aan zichzelf te wijten.

Zijn studie uit 2005 heeft een titel die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat: Het afscheid van de literatuur. Geschiedenis van een ontwaarding 1700 – 2000. Marx is overigens zeker niet de eerste die het einde van de literatuur proclameert, maar wat me aardig leek aan dit boek, was dat Marx niet eenvoudigweg de schuld legt bij andere, nieuw opgekomen media als televisie en computer, maar dat hij de oorzaak zoekt in de literatuur zelf. Die heeft volgens hem een verandering ondergaan die tot haar eigen ondergang heeft geleid.

Tegenwoordig wordt er nog wel literatuur geschreven, maar zij speelt geen enkele rol van betekenis meer. Dit als gevolg van een proces van ontwaarding dat Marx in zijn boek beschrijft. Laat ik eerst even stilstaan bij het begrip ontwaarding. Wat is dat eigenlijk? ‘De kortst mogelijke definitie van de ontwaarding van literatuur is dat het niet meer vanzelfsprekend is dat datgene wat door kenners van belang wordt geacht, ook door anderen belangrijk wordt gevonden,’ heeft Thomas Vaessens eens in een interview gezegd. Kort en duidelijk. Het toekennen van waarde is een handeling van een lezer. Ontwaarding moet dus bestudeerd en verklaard worden in relatie tot de lezer. Vreemd genoeg is juist de lezer de grote afwezige in het boek.

Expansie

Hoe verklaart Marx die ontwaarding dan?

De thesis is eenvoudig: tussen de achttiende en twintigste eeuw onderging de literatuur in Europa een radicale gedaanteverandering; haar vorm, haar idee, haar functie, haar taak, alles werd onderuit gehaald. In dit boek wil ik het verhaal vertellen van deze gedaanteverandering. Ik zal het hierbij hebben over drie opeenvolgende fases van de literaire geschiedenis tijdens de voorbije drie eeuwen: een expansie, vervolgens een verzelfstandiging en ten slotte een ontwaarding. De geringschatting waarvan we nu getuige zijn, stemt overeen met de laatste fase, die meer dan een eeuw geleden begonnen is.

De expansie begint in de 17de eeuw en duurt tot en met de eerste helft van de 19de eeuw. Cruciaal is de tekst ‘Over het sublieme’ van Longinus. Het sublieme krijgt een belangrijke plaats in de esthetische theorie in deze periode. De principes die golden tijdens het classicisme voldoen niet meer: een strakke set voorschriften en regels kan niet meer verklaren waarom sommige kunst toch beter ‘is’ dan andere. Zelfs zijn er schrijvers die meer volgens de regels werken dan bijvoorbeeld Homeros, terwijl we liever Homeros lezen. Pater Bouhours zou dit het je-ne-sais-quoi gaan noemen; een doorslaggevende factor die kunst echt groot maakt, maar die niet te benoemen is. Meer en meer wordt en van literatuur verwacht en haar status neemt navenant toe.

Verzelfstandiging

Immanuel Kant is het die de band die er tot dan toe was tussen het schone en het goede verbreekt. Met name Schiller radicaliseert dit idee sterk. Kunst heeft geen moreel doel meer. Al moet hierbij gezegd dat Schiller de band – net als Kant overigens – niet helemaal doorsneed: de ervaring van schoonheid maakt namelijk nog wel ontvankelijk voor morele vrijheid. In Duitsland was de voorzet gegeven, in Frankrijk werkte men keurig af. Het was daar dat men bovenstaand idee vermaakte tot de slagzin ‘l’art pour l’art’.

De onafhankelijkheid van de literatuur brengt Marx in beeld door te wijzen op de processen tegen Flaubert en Baudelaire in 1857. Voorheen waren literatuur en maatschappij sterk met elkaar verweven. Nu de literatuur zich onafhankelijk verklaarde, betekende dat noodgedwongen ook een verzelfstandiging van de maatschappij. Ineens heeft de burger geen literator meer die hem als gids kan leiden.

De zelfstandigheid van de kunst slaat tegen het einde van de 19de eeuw helemaal door. Wat begon met Vitcor Hugo die in 1829 om vrijheid van onderwerp riep, mondde volgens Marx uit in een totale afscheiding van de wereld. ‘Kunst om de kunst’ was verworden tot ‘alles voor de kunst’. Vol van zijn eigen superioriteit begint de literatuur te werkelijkheid aan te vallen:

Vreemd genoeg diende de ambitie van het realisme, dat na eeuwen triomf van het esthetische idealisme een verzoening tussen literatuur en de maatschappij had kunnen voorbereiden, om de heftigste aanvallen tegen de werkelijkheid uit te voeren. Is het dan verwonderlijk dat de maatschappij uiteindelijk die kunstvorm de rug toedraaide die alle bruggen opblies en geen gemeenschappelijke toekomst voor beiden meer zag? De wegen van de wereld en de literatuur scheidden zich en zouden elkaar nooit meer kruisen.

De literatuur werd op den duur veracht en hoe meer ze veracht werd, des te meer begon zij verachting te koesteren voor diegenen die haar verachtte. Critici hebben verder meegeholpen om de literatuur van de werkelijkheid af te keren. De formalistische kritiek van onder andere Roman Jakobson, Boris Eichenbaum, Viktor Sjklovski en Joeri Tynianov begonnen de literatuur als taalobject te beschouwen; de New Critics zagen literatuur als louter tekst. Beide kritische stromingen richtten zich alleen nog maar op de vorm.

Een van de problemen die ik met Marx’ voorstelling van zaken heb, is zijn stelling dat het publiek zich afkeerde van de literatuur die de maatschappij begon aan te vallen. Marx stelt dat realistische schrijvers de aanval inzetten met negatieve afspiegelingen van de maatschappij. Een interessante gedachte, maar ik zou hier graag enig bewijs voor zien. Het lijkt me niet heel moeilijk om enkele kritieken van het werk van auteurs als Balzac, Baudelaire, Flaubert, Gogol en Dickens (auteurs die Marx in dezen noemt) bij deze stelling te betrekken. Zo het werk van deze auteurs in de 19de eeuw als aanval werd beschouwd, tegenwoordig toch zeker niet meer – veel canonieker kan je boekenkast met deze auteurs niet worden. Een herwaardering misschien? Jammer dat Marx hierover zwijgt.

Ontwaarding

In het hele betoog van Marx is het deze ‘periode’ waar ik het meeste moeite mee heb. Een echte verklaring vind ik Marx namelijk niet geven voor die ontwaarding. Hij demonstreert de ontwaarding naar aanleiding van twee rampzalige gebeurtenissen: de aardbeving van Lissabon in 1755 en de Holocaust. Hij stelt dat de eerste ramp geen ramp voor de literatuur betekende, terwijl de Holocaust dat wel was. Daarbij haalt hij Adorno aan die zei dat het ‘barbaars [was] om na Auschwitz een gedicht te schrijven’. Marx vindt deze uitspraak zeer illustratief voor het einde van de literatuur – al weet hij zelf ook heel goed dat Adorno niet doelde op een ontwaarding van literatuur. Los van de vraag of deze rampen vergelijkbaar zijn, geeft het geen verklaring.

Een andere zwakte van Marx’ betoog is zijn onzorgvuldigheid. In zijn inleiding schrijft hij dat je altijd voorzichtig moet zijn met het spreken over ‘de’ literatuur. Hij grapt – leuk! – dat hij het liefst een pistool erbij pakt om de spreker te dwingen specifieker te zijn: literatuur waar en wanneer wil hij weten. In Het afscheid van de literatuur gaat het vooral over Frankrijk. Er komt een verdwaalde Brit in voor en een loslopende Duitser, maar dat is het zo’n beetje. Qua tijdsaanduiding zit het wel aardig, al moet goed blijven opletten. Vreemd is het dan natuurlijk dat Marx op basis van zijn Franse schets afscheid neemt van de literatuur. Ook mag je je afvragen over welke literatuur het gaat: de ene keer gaat het over romans, maar zijn hoofdstuk over de vorm en het stuk waar hij Adorno erbij haalt gaan echt alleen over poëzie. Hoe zat het dan met naoorlogse romans?

Ik noemde al de totale afwezigheid van de lezer. Waarom ontwaarding het gevolg is van bovengenoemde ontwikkeling in de literatuur, blijft onduidelijk. Marx maakt zich er makkelijk vanaf met een retorisch truc: dat wat hij moet bewijzen maakt hij tot vaststaand feit. Zo schrijft hij ergens:

Maar de lezer ervaart die vormdwang op een heel negatieve manier, als de metafoor van een gebrekkig woord en een typisch literaire problematische expressievorm, als een allegorie van een fundamentele onmacht.

Hoezo dan? Waarom? Welke lezer dan? Marx vertelt niet hoe hij hierbij komt.

Wanneer er gesproken wordt over het gebrek aan waarde van literatuur, is ontbrekende maatschappelijke betrokkenheid of engagement altijd wel een van de oorzaken daarvan. Zo ook bij Marx. De literatuur keert zich van de maatschappij af, dus de maatschappij laat de literatuur links liggen. Maar zijn onderbouwing is me te eclectisch, om niet te zeggen dat hij maar erbij pakt wat hem uitkomt en de rest negeert. Je kunt tegenover de these van Marx gemakkelijk een andere veronderstelling zetten. Bijvoorbeeld: zitten lezers dan altijd te wachten op maatschappelijk betrokken romans? Worden die het meest gelezen? Kijkend naar afgelopen jaar waarin tientallen tinten clitlit werden verkocht, krijg je toch niet helemaal die indruk. Zo blijft Marx steken in niet-gestaafde veronderstellingen. Samen met zijn tendentieuze toon maakt dat Het afscheid van de literatuur niet meer dan een niet eens echt goed essay.

William Marx – Het afscheid van de literatuur. Geschiedenis van een ontwaarding 1700 – 2000
paperback, 284 p.
1e dr. Uitgeverij Querido

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *