Dramatisch jachtongeval

Isabelle Rossaert - Dat is wat ik beminBoven op de Luberon in de Provence staan twee gedenkstenen: één voor een everzwijn en één voor een jager. Het zette de verbeelding van Isabelle Rossaert in werking: wie was Max, voor wie de ene steen was geplaatst? En bestond dat everzwijn wel of was zijn bestaan slechts een mythe in het dorpje Cucuron? Rossaerts debuut Dat is wat ik bemin is een zoektocht naar een verklaring, strak gecomponeerd en met mooie beschrijvingen die de lezer moeiteloos meenemen naar het zuiden van Frankrijk.


Valérie, de hoofdpersoon in deze roman, heeft Cucuron verlaten om in Parijs kunstgeschiedenis te gaan studeren. Een zekere gebeurtenis die plaatsvond op de Luberon blijft haar echter achtervolgen. Het eerste deel van het boek bestaat uit de dagboekfragmenten van Valérie. ‘Ik heb van je gedroomd vannacht,’ begint Valérie haar dagboek. ‘Ik zag je liggen, een gewond dier. Ik had je willen aanraken, je hand vastpakken, mijn hand op jouw hart leggen en het voelen kloppen.’ De ‘je’ in deze fragmenten is Max, de jongen die een jaar eerder onder onduidelijke omstandigheden is omgekomen op de Luberon tijdens de jacht op een everzwijn. Met ieder dagboekfragment kom je als lezer iets meer te weten over waarom Valérie hem niet uit haar hoofd kan zetten.

Eenhoorn

De dame en de eenhoornDe passages over Max wisselt Rossaert af met Valéries beschrijvingen van haar Parijse leven. Haar studie begint en Valérie wordt zelfs uitgenodigd om over haar favoriete kunstwerk te schrijven voor de weekendbijlage van een krant. Ze kiest de serie wandtapijten De dame en de eenhoorn uit het Hôtel de Cluny, het museum voor middeleeuwse kunst. Het is een serie van zes tapijten, waarvan de eerste vijf de zintuigen verbeelden. Over het zesde, getiteld À mon seul désir lopen de interpretaties uiteen. Het zou kuisheid kunnen symboliseren, maar juist ook een zinnelijk verlangen.

Isabelle Rossaert verweeft beide interpretaties mooi met het verhaal van Valérie. De liefde voor Max is er nooit geweest, maar voor Jean-Michel, een redacteur van de weekendbijlage, voelt Valerie misschien wel iets. Misschien, want de gedachten aan Max zijn niet op slag verdwenen. Om Valérie echt te kunnen begrijpen, moet Jean-Michel haar verleden leren kennen.

Dier uit oude tijden

Het tweede deel van de roman bestaat uit de brieven die Jean-Michel de volgende zomer vanuit Cucuron naar zijn collega Eric en later ook Valérie stuurt. Hij is naar de Provence gereisd om erachter te komen wat er gebeurd is tijdens de jacht op het everzwijn waarbij Max is omgekomen. In het dorpje ontdekt hij welke verhalen de ronde doen over Max en het everzwijn. Brief na brief wordt de ware toedracht duidelijk.

Maar de grootste kracht van Dat is wat ik bemin ligt in de mooie beschrijvingen

Net als in het eerste deel van de roman, hanteert Isabelle Rossaert in het tweede deel de manier om het verhaal ‘opgeknipt’ te vertellen. Deze manier is niet geheel zonder gevaar. Soms wordt het verhaal namelijk op onnatuurlijke wijze onderbroken aan het einde van een dagboeknotitie of brief om pas na een paar dagen weer verder te worden verteld. Maar dit mag hooguit een klein bezwaar heten, want het werkt wél. Door het uitstellen van de informatie weet ze haar lezer geboeid te houden.

Maar de grootste kracht van Dat is wat ik bemin ligt in de mooie beschrijvingen. Rossaert kan schrijven: wanneer ze Jean-Michel naar de Luberon stuurt bijvoorbeeld, reist de lezer moeiteloos met hem mee. Ook wie die berg niet kent, maakt zich een voorstelling dankzij beeldende beschrijvingen als deze:

Als een dier uit oude tijden dat slaapt in de vlakte, op zijn brede rug een vacht van eiken en kreupelhout. Mensen hebben paden over zijn lijf getrokken en aan zijn flanken de beschutting gezocht om er hun dorpen te bouwen. Je loopt door bos, langs diepe kloven en hier en daar voorbij een eenzaam huis. Hogerop heb je manshoge steeneikjes, dan rotsen en dor gras, afgewisseld met doornig struikgewas. Het ruikt er naar wilde tijm en cisteroos.

In Dat is wat ik bemin weet Isabelle Rossaert wat ze wil vertellen en neemt daarbij geen zijpaden of omwegen. Aan het eind van de roman heeft Jean-Michel de dramatische gebeurtenissen gereconstrueerd; ook voor de lezer blijft er weinig te raden over. De paar verhaallijnen worden aan het einde keurig bij elkaar gebracht en afgehecht. In het geval van de wandtapijten is dat natuurlijk mooi – ze hangen inderdaad prachtig in Hôtel de Cluny – maar een roman mag wel een rafelrand hebben en wat loshangende draadjes.

Isabelle Rossaert – Dat is wat ik bemin
paperback met flappen, 149p.
1e dr. Uitgeverij Cossee

Deze recensie is geschreven voor Recensieweb en ook aldaar te lezen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *