Een licht laten schijnen op wat we verliezen

Over Een hond aan mijn tafel van Claudie Hunzinger

Omslag-Claudia-Hunzinger-Een-hond-aan-mijn-tafelBen ik zo’n typische Nederlandse lezer? Die is meer autobiografisch geïnteresseerd, in tegenstelling tot de Franse lezers, die eerder de tekst willen doorgronden. Aldus een kenschets van Emma Doude van Troostwijk in een interview dat ik een tijdje geleden las. Maar er zijn natuurlijk Franse schrijvers die het dicht bij zichzelf houden. Zo las ik afgelopen zomer Een hond aan mijn tafel van Claudie Hunzinger. Nu vroeg ik me bij het lezen niet bij elke bladzijde af wat er nu wel en niet echt waar was, maar het was moeilijk om niet af en toe aan de werkelijkheid te denken. Niet omdat hoofdpersoon Sophie een weinig verhuld alter ego van de schrijfster is – zo lees ik in de Franse pers – maar vooral ook omdat ik het boek las op een steenworp van waar het zich afspeelt.

Zo weinig als de eerder genoemde Emma Doude van Troostwijk de omgeving in haar roman Mensen van de dag beschrijft, zo beeldend wordt die juist opgeroepen in Een hond aan mijn tafel. De eerste zin:

Het was de avond voor mijn vertrek, het was nog niet donker, ik wachtte erop, zittend op de drempel van het huis tegenover de steeds paarsere berg; ik wachtte tot het kwam, wachtte op niets anders dan dat, het donker, terwijl ik bij mezelf zei dat de stelen van het uitgebloeide vingerhoedskruid deden denken aan indianen met hun heilige verentooi, dat de bladeren van de adelaarsvarens geel waren geworden, dat de talloze ter plaatse achtergebleven steenblokken, ruggen, schedels, tanden van de boven het huis gelegen gletsjermorene spraken van chaos, ondergang, bijna het einde van de wereld.

Van de wereld verbannen

Met die eerste zin is de toon gezet. De ik-figuur, Sophie, is schrijfster op leeftijd die zich met haar man Grieg terug heeft getrokken uit de wereld. Ze wonen op een berghelling in de Vogezen. Slechts af en toe komt ze weer in de bewoonde wereld voor een lezing. Zoals in het begin van de roman wanneer ze naar Lyon gaat om te praten over haar schrijverschap, over de grens, over wat de binnenkant en wat de buitenkant is. ‘Geen enkele keer heb ik tegenover een beest, ik hou van het woord beest, het radicale anders-zijn gevoeld, die breuk, die kloof van het verschil, die afgrond waarover mannen het hebben, zelfs de meest ontwikkelde, de intelligentste, degenen die zich de meeste zorgen maken over de dierenwereld. Nooit.’ Grieg verlaat het huis überhaupt nauwelijks meer. Hij sluit zich op in zijn kamer met zijn boeken – meer heeft hij niet nodig. Of eigenlijk: meer wil hij niet meer. Hij leeft ’s nachts, lezend in klassiekers.

Hij en Sophie zijn twee teruggetrokken mensen, wonend in een oud huis genaamd Les Bois-Bannis. ‘Het huis staat aan een met korstmos bedekte morene. Korstmossen zijn biomarkers. Sommige kwetsbare soorten zijn al van de wereld verdwenen.’ Ook in andere zinnen lees je genoeg reden om verbannen van de wereld te willen leven: ‘Van het ene op het andere moment kon het ergste gebeuren. Het was er al. We bevonden ons ineens in een tijd van menselijke, dierlijke en plantaardige massagraven, net als altijd, maar versneld. Een tijd van totale verbijstering. Wie kon eraan ontkomen? Niemand kon eraan ontkomen. Denk maar niet dat je eraan kon ontkomen.’

Ecri-vaine

Grieg houdt ervan om Sophie ecri-vaine te noemen, met een minuscule pauze midden in het woord, om de vergeefsheid van haar schrijven te benadrukken. Wanneer Grieg besluit niet meer uit bed te komen, met zijn kleren aan te blijven slapen, slingert hij de vraag naar haar toe: waarom nog schrijven? En voor wie? Het zijn vragen waar Sophie zelf ook twijfels over heeft, maar ze wil zich niet laten meesleuren in Griegs somberheid over de staat van de wereld.

Tegen deze somberheid helpt ook de hond uit de titel, die op de eerste pagina het boek binnen komt lopen: ‘een grijze haarbal, vuil, uitgeput, hongerig, met grote bruine ogen die mijn blik trotseerden en me alert gadesloegen.’ Door zijn vorige baasje mishandeld en weggelopen heeft het zijn weg gevonden naar Les Bois-Bannis. Sophie besluit het dier te houden en noemt haar Yes. Het dier brengt een hernieuwd leven met zich mee. Na jaren slapen Sophie en Grieg weer bij elkaar. Met de hond aan haar zijde weet ze ook de schrijfimpasse te doorbreken. ‘Natuurlijk zou het me lukken om te schrijven met het bos en zijn vijf zintuigen en zijn verschillende soorten bomen, want anders kon ik meteen wel doodgaan.’ Ze maakt flinke wandelingen met de hond, steeds ook op haar hoede dat niemand de weggelopen hond komt ophalen.

Het Étang du Devin, een grotendeels drooggevallen bergmeertje nabij Le Bonhomme

Yes

Verwacht van Een hond aan mijn tafel geen rechtlijnig verhaal met een duidelijke plot. Het wisselt tussen huiselijke scènes in Les Bois-Bannis, wandelingen in de omgeving en herinneringen aan gedeelde leven met Grieg. Het doet daarmee eerder aan als iets autobiografisch dan als fictie. Maar misschien betekent dat wel dat het vooral een ‘natuurlijk’ soort proza is, waarbij de stilering niet erg in het oog springt – al is die er natuurlijk wel. Bijvoorbeeld met de tegenstelling tussen Sophie en Grieg. Zij buiten, terwijl Grieg met zijn fictie binnen blijft. De tegenstelling is echter ook wat bedrieglijk: de woorden waarmee Sophie de hond besluit te houden zijn direct ontleend aan Literatuur met de grootste hoofdletter denkbaar: and yes, I said yes I will yes – het zijn de laatste woorden van Molly Bloom in James Joyce’ Ulysses. En de hond uit de titel is natuurlijk een sterk symbool voor levenslust. Het doet denken aan het kooikerhondje van Henk in Sander Kollaards Uit het leven van een hond.

Ik las Een hond aan mijn tafel afgelopen zomer op vakantie. Elke avond kwamen de ooievaars aanvliegen, namen plaats boven onze hoofden – het geklepper met hun snavels het achtergrondgeluid bij het lezen voor de tent. Overdag wandelden we wat, langs de plekken die Hunzinger noemt. We lunchten op een bankje bij het Étang du Devin, zaten aan de oever van het Lac des Truites (ook wel Lac du Forlet geheten). In deze omgeving verdween de fictie naar de achtergrond. Want er zal van alles verzonnen zijn, verdraaid of verdicht, maar de zorg om hoe deze prachtige omgeving bedreigd wordt kán dat simpelweg niet zijn. Ik denk namelijk dat het antwoord op de vraag waarom Sophie in de roman schrijft hetzelfde antwoord is als waarom haar schepper Hunzinger schrijft. Ze wil een licht laten schijnen op wat we verliezen. En dan blijkt: ‘Je kunt heel goed schrijven met tranen in je ogen.’

Claudie Hunzinger – Een hond aan mijn tafel | vert. Martine Woudt | paperback, 276p. | 1e dr. Uitgeverij Oevers

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Blijf op de hoogte