Geen daden maar dromen

Over Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers van Rutger Bregman en Jesse Frederik

Bregman en Frederik - Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiersMet Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers hebben Rutger Bregman en Jesse Frederik een prikkelend essay geschreven dat uitnodigt om vanzelfsprekendheden in de economie nog eens goed te overdenken. Vanzelfsprekendheden als een feilloos werkende transparante markt. Vanzelfsprekendheden als dat de waarde van iets bepaald wordt door de prijs. Bregman en Frederik kiezen hiervoor een interessante route. Ze kiezen er niet voor om vanuit een linkse economische theorie kritiek te leveren. In plaats daarvan duiken ze in de geschiedenis van het liberalisme en laten zien hoe ver de hedendaagse liberale politici hiervan verwijderd zijn.

‘Men is getuige geweest van beursmanoeuvres, waardoor in korte jaren speculanten miljoenen samenraapten,’ schreef de oude liberaal bijvoorbeeld in 1887. ‘Men heeft gezien hoe industrielen en planters de lage loonen, door armoede en ellende van duizenden arbeiders tot machtige kapitalisten zijn geworden. Op zulke wijze wordt in onzen tijd […] het gevoel van onrecht geprikkeld en levendig gehouden.’

De oude liberaal die Bregman en Frederik hier citeren is Pieter Cort van der Linden, de laatste liberale premier van Nederland tot Mark Rutte in 2010. Rutte zei ‘een zekere verwantschap te voelen met hem, en niet alleen omdat hij mijn liberale betovergrootvader is in dit ambt,’ maar na het lezen van bovenstaand citaat kun je je toch afvragen waaruit die verwantschap dan bestaat. Het zijn dit soort welgekozen voorbeelden die Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers tot een uiterst prettig leesbaar boekje maken.

Onverdiend inkomen

Een van de vragen in het essay is wat ‘verdienen’ is. Het betekent zowel ‘salaris krijgen’ als ‘recht hebben op’ – wat in het Engels wordt aangegeven met de twee verschillende werkwoorden ‘to earn’ en ‘to deserve’. Zo komen de auteurs op de vraag wat dan eigenlijk verdiend inkomen is. Voor de liberalen in de negentiende eeuw waren de inkomsten uit werk een verdiend inkomen. Hoeveel iemand verdiende kon verschillen en dat was ook terecht, maar iedereen moest wel dezelfde kansen hebben gekregen. Geen gelijkheid van inkomsten dus, maar wel van uitgangspositie.

Naast het verdiende inkomen uit arbeid was er ook onverdiend inkomen volgens John Stuart Mill, een van de invloedrijke denkers over het liberalisme: dat wat je niet door eigen verdienste verkregen hebt. Denk bijvoorbeeld aan geërfd vermogen. Bregman en Frederik wijzen op het verschil met hoe de VVD hierover denkt: ‘“Het is de minst rechtvaardige van alle belastingen,” zei Rutte in 2008 nog over de erfbelasting. “Je hele leven betaal je al belasting en als je per ongeluk wat overhoudt, komt het blauwe gevaar nóg een keer langs.”’

Speculeren op de beurs – ik citeerde Van der Linden hierboven al – was de liberalen in de negentiende eeuw een doorn in het oog. Het leidde tot inkomen waar geen moeite voor gedaan was. Ook waren de liberalen voor een lagere rente bij een hoger vermogen. Voor wie veel geld heeft, kost het minder moeite om te sparen, en verdient daarop dus ook een kleinere beloning.

Nog meer onverdiend

Onverdiend is dat waarvoor je zelf geen moeite hebt gedaan. Rutger Bregman en Jesse Frederik trekken dit idee nog verder door. Want hoe verdiend is het inkomen uit werk eigenlijk? Wie hoogopgeleid is, verdient in de regel meer dan wie werk doet waarvoor geen studie nodig was. Maar is een afgeronde studie helemaal je eigen verdienste? Heeft opvoeding niet ook een rol gespeeld? Waarschijnlijk wel. Bovendien is intelligentie voor een behoorlijk deel erfelijk bepaald. Ook kun je niets doen aan de plek op de wereld waar je geboren bent, maar het maakt wel heel veel uit voor de kansen die je krijgt.

Op deze manier beredeneren de auteurs dat er eigenlijk maar heel, heel weinig écht iemands eigen verdienste is. En dus is er maar ook heel weinig inkomen dat iemand verdiend verdient. Er zou dus eigenlijk maar een zeer kleine ongelijkheid in inkomen moeten zijn, volgens de redenering dat eenieder beloond wordt naar eigen verdienste.

Eén van de maatregelen die volgens Bregman en Frederik ongelijkheid verkleinen is het basisinkomen: een vast bedrag dat iedere burger van de staat krijgt. Elders heeft Bregman ook al over het basisinkomen geschreven. De vrees dat mensen met dit ‘gratis geld’ zouden stoppen met werken is ongegrond. Wel zou het mensen in staat stellen om te stoppen met onzinnig werk waar niemand op zit te wachten. In plaats daarvan kunnen ze dan iets gaan doen dat wel waardevol voor de wereld is.

Maar wat is waarde? Tegenwoordig wordt het begrip ‘waarde’ gelijkgesteld aan ‘prijs’. Hoe hoger de prijs, hoe meer waard het is. Het zal duidelijk zijn dat Bregman en Frederik, net als de negentiende-eeuwse liberalen, het anders zien. Om het verschil duidelijk te maken vergelijken ze de twee beroepen uit de titel, vuilnismannen en bankiers.

Vuilnismannen en bankiers

Het is evident dat een bankier een hoger salaris heeft dan een vuilnisman, maar is dat ook terecht? Wie is er belangrijker voor de samenleving? Rutger Bregman en Jesse Frederik maken de vergelijking tussen de staking van vuilnismannen in New York in 1968 en een staking van bankiers in Ierland in 1970. Bij de eerste staking was de stad binnen een week een vuilnisbelt en werd de noodtoestand uitgeroepen. Het contrast met de stakende bankiers kon haast niet groter zijn: de voorspelde economische crisis bleef geheel uit. Ierland bleek maanden zonder banken te kunnen zonder dat de economie er last van had.

De Ieren gingen met hun eigen gemaakte, alternatieve geld betalen; pubeigenaren werden de nieuwe bankiers. Het is een prachtig voorbeeld, retorisch ook weer heel handig in dit betoog, maar tegelijk toont het ook aan dat een samenleving niet zonder bank kan. Dat realiseren Bregman en Fredrik zich ook en ze benadrukken dan ook dat de nutsfunctie van banken daadwerkelijk iets toevoegt aan de maatschappij. De activiteiten echter waar het meeste geld mee wordt verdiend tegenwoordig, de veel te complexe financiële producten, kunnen prima gemist worden. Ze creëren ook geen waarde, maar verplaatsten het alleen.

Bullshit jobs

Zo komen Bregman en Frederik tot de vraag welke banen echt nuttig zijn. De econoom John Maynard Keynes voorspelde zo’n honderd jaar geleden dat er in 2030 nog maar vijftien uur per week gewerkt zou hoeven worden. De welvaartsgroei zou leiden tot meer vrije tijd. Het lijkt er niet op dat deze voorspelling uit gaat komen. Volgens antropoloog David Graeber komt dit door de ‘bullshit jobs’: werk waarvan diegene die het doet zelf zegt dat het niet gedaan hoeft te worden. Onnodig werk dat alleen maar gedaan wordt omdat iemand een inkomen nodig heeft. Zo zijn we ook weer terug bij het idee van ‘gratis geld voor iedereen’: het basisinkomen.

Ik ben te weinig econoom om Bregman en Frederik helemaal te kunnen controleren. Ze schrijven aantrekkelijk, maar soms geven ze zich iets te veel over aan retorisch vernuft ten koste van de inhoud. Dan willen ze even iets te makkelijk een punt maken. Het voorbeeld van de stakende bankiers en vuilnismannen ziet er natuurlijk prachtig uit maar wat het vooral aantoont is dat mensen zodra bankiers ermee ophouden direct zelf actie gaan ondernemen, terwijl inwoners in New York niet en masse zelf voor vuilnisman gingen spelen.

Ergens in Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers wordt een jonge medewerker van Facebook geciteerd. Volgens hem zijn de knapste koppen van deze tijd bezig te bedenken hoe ze mensen kunnen verleiden om ergens op te klikken. Misschien is dat inderdaad een bullshit job, maar Bregman en Frederik insinueren soms iets te gemakkelijk.

Zo vind ik het te eenvoudig om elke communicatiemedewerker te verwijten onzinnig werk te verrichten. Vergaat de wereld als alle 290 communicatiemedewerkers van de gemeente Amsterdam stoppen met werken? Waarschijnlijk niet, maar stel je voor dat je gemeente op geen enkele manier meer informatie verstrekt. Misschien is ‘breekt de noodtoestand uit’ niet de manier om te kijken of een beroep wel nuttig is. Ik denk bijvoorbeeld niet dat de noodtoestand wordt uitgeroepen als er geen leraren meer zijn, maar daarmee is het nog geen bullshit job.

Tussen droom en daad

Rutger Bregman afficheert zichzelf als utopisch denker. Een visionair die voorbij de huidige realiteit durft te kijken naar hoe dingen beter kunnen. Hij heeft daarbij stoute dromen, zoals ook blijkt uit zijn andere boeken, artikelen en TED Talk. Daarmee weet hij te prikkelen, maar tegelijk zullen er mensen zijn die met Willem Elsschot verzuchten dat er tussen droom en daad toch wetten in de weg staan, en praktische bezwaren – om van de weemoed maar te zwijgen. Maar met dit soort verzuchtingen ben je bij Bregman aan het verkeerde adres. Hij is niet geïnteresseerd in de precieze invulling van zijn dromen. Blauwdruk-utopisme noemt hij dat – een variant van gezeur van mensen die niet groot durven denken.

Enerzijds snap ik dat gevoel wel – verandering zal niet komen van hen die te veel twijfelen en bezwaren zien. Anderzijds houdt zijn utopisme daardoor iets vrijblijvends. ‘Maar hoe dan, Rutger?’ is een heel legitieme vraag. Wanneer hij stelt dat met een basisinkomen de bullshit jobs verdwijnen vraag ik me af of dat zo is. Natuurlijk, zij die toch al niet veel verdienen, zullen iets gaan doen wat ze wel nuttig achten. Maar die knappe koppen bij Facebook? Het lijkt me dat die hun werk doen omdat ze er veel mee verdienen. Zouden ze dat zomaar opgeven? Het lijkt me althans dat dit niet de enige baan is die ze na lange tijd zoeken uit nood voor hun levensonderhoud hebben moeten accepteren.

Bregman en Frederik hebben met Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers een inspirerend boekje geschreven. Hun grote dromen zijn verfrissend om te denken over een ander economisch systeem dan het huidige waar we in zitten. Hiervan zijn de feilen al te duidelijk zijn geworden. Ze laten zien hoe moraliteit uit de economie is verdwenen – al zeggen anderen dat die niet zozeer is verdwenen als wel vervangen door een ander soort moralisme. Voor het aanzwengelen van een discussie hierover verdienen de auteurs alle lof. Tegelijk zou ik het mooi vinden als Bregman en Frederik zich ook zouden buigen over de vraag hoe hun dromen in daden omgezet kunnen worden.

Rutger Bregman en Jesse Frederik - Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers | paperback 104p. | 1e dr. De Correspondent

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *