Ik was nooit een groot fan van Mulisch. Twee boeken had ik van hem gelezen: Twee vrouwen en De Aanslag. Voor het eerste was ik denk ik te jong om het helemaal te begrijpen. Dat er iets was met een Orpheusmyhte bijvoorbeeld, was me geheel ontgaan. De Aanslag vond ik gewoon een vervelend boek. Constant word je door Mulisch op zijn eigen briljante vondsten gewezen. De symbolische namen van de huizen in de straat waar de aanslag plaatsvindt: knap hoor.
Sindsdien heb ik Mulisch altijd maar links laten liggen –hoewel er natuurlijk altijd nog zacht gefluisterd wordt dat ik misschien, toch, me moet zetten tot De ontdekking van de hemel. Ook zei een vriend eens dat hij Siegfried wel goed vond. Vooruit, ik zag het liggen voor drie euro. Wie weet geeft het me een ander idee over Mulisch. Lees verder “Puzzelen met Mulisch”
beschouwend werk moet ik bijlezen, maar ook bij de romans had ik nog wat te gaan: De God Denkbaar Denkbaar de God. Niet Hermans’ meest geliefde roman en zeker zijn minst begrepen roman. Ik snap waarom. De plot is niet tot nauwelijks na te vertellen. De roman begint met Denkbaar die op het vliegtuig stapt en op zoek is naar belangrijke papieren, maar wat volgt is een aaneenschakeling van gebeurtenissen die waartussen logica ontbreekt, of op zijn minst lijkt te ontbreken. Hermans schrijft vooral associatief. Dat personages uit het raam springen en vervolgens verder wandelen is nog wel het minst verstorende element in deze roman.
